home verhalen 50 jaar met greyhounds
V I J F T I G  J A A R  M E T  G R E Y H O U N D S.
door Cees van Arkel.

Dit jaar(2003) is het precies 50 jaar geleden dat mijn eerste greyhound geboren werd: 27 december 1953. Het was een mooie, goudgeel gestroomde teef, Snellie genaamd. Zij kwam uit de combinatie: Clebelands Onward ( import Engeland, 143643, GSB.Vol.69 ) x Valery
( 109081 ). Dat nest bestond uit vijf reuen en vier teven.

Met Snellie begon mijn start in de renwereld, eerst onder de Commissie voor de Windhondenrensport ( een afdeling van de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied ), later onder de Federatie Greyhound Racing Nederland.
Altijd hebben we een of twee greyhounds in huis gehad, nooit zijn we zonder geweest.
Naast de greyhounds hebben we een periode van 25 jaar gehad ( van 1971 – 1996 ) dat er ook whippets in huize Van Arkel vertoefden. Overigens is de combinatie greyhound/whippet een goede, de een houdt de ander wakker. Altijd zijn de honden binnenshuis gehouden, hetgeen wel wat aanpassingen en soms opofferingen vraagt. Maar dat hebben we er altijd graag voor over gehad.

Renvereniging.
Ik werd direct lid van de S.W.R.V. ( de Stichtse Windhonden Ren Vereniging ) te Utrecht en heb daar alle denkbare functies en klussen uitgevoerd.
Het deelnemen aan de rennen is nooit een doel op zichzelf geweest. Voorop stond en staat nog steeds de vriendschap en gezelligheid van een greyhound in huis en het wandelen en trainen in de natuur. Ons huis en ons leven is niet denkbaar zonder dieren.
En meteen maar enkele statements: mensen die niet van dieren houden, deugen niet. En hoe beter je de mens leert kennen, hoe meer je van je honden gaat houden.
Misschien is het wel leuk om eens een duik in de historie van de rensport te nemen. En dat het toen niet enkel en alleen rozengeur en maneschijn was, zal blijken.

Mijn eerste greyhound.
Als jochie wilde ik altijd al een hond hebben. Konijnen op het balkon en postduiven waren niet genoeg. Ik wilde een hond. Mijn vader had vroeger al kennis gemaakt met greyhounds en wel als stroper. Zijn liefde voor de greyhound was daarmee een feit. Voor mijn verjaardag zou ik een hond krijgen, maar deze mocht niet te duur zijn. Vlak na de oorlog was het een moeilijke tijd als het om geld en inkomen ging. En mijn vader was stoker-onderhoudsmonteur van beroep en verdiende weinig. In die tijd zat ik nog op de lagere school en een vriendje naast mij in de bank - Rinus Koot - wist greyhoundpups te liggen.

Sparen.
Ik had flink gespaard. Als ik boodschappen had gedaan, mocht ik de kassabonnen van De Gruyter houden. Je kreeg een bepaald percentage van het aankoopbedrag terug. De pup kostte toen f 25,-- harde guldens, een vermogen in die tijd. Toen we de pup gingen halen, ergens in de buurt van de Rode Brug in Utrecht, was het koud winterweer. We waren op de fiets. De pup ging in de binnenzak van mijn vaders grote winterjas en zo reden we terug naar huis. Ze was bijna vijf weken oud. Ik herinner me niet dat het zindelijk maken een probleem was. Het was een pienter en gezond hondje, dus dat zal geen problemen hebben gegeven. We woonden toen op een bovenhuis met een balkon. In noodgevallen kon de hond zijn behoefte op dat balkon doen. Pups werden in die tijd niet ingeënt. Entstof voor honden bestond toen nog niet, voor zover ik weet. En ontwormen deed je ook niet. Later waren er wel wormmiddelen, maar daar kon je hond goed ziek van worden. En het was kostbaar! Mijn eerste aantekeningen over ontwormen dateren van 1961. Dat was een heel ritueel. De hond moest zoveel uur vasten en nadat je de tabletten had gegeven, moest je gaan wandelen.

Voeding.
De voeding bestond vooral uit havermoutpap, bruin brood en melk. En wat bij ons na de maaltijd over bleef, ging voor een deel naar de hond. Mijn vader kocht bij de visboer vaak goedkope ( gebroken ) bokking en dat mengde hij door het bruinbrood. Ook ging er kalk overheen. Fosforzure en melkzure kalk in een bepaalde verhouding. Geld hadden we niet of weinig, dus duur vlees kon er niet gekocht worden. Toch ging ik regelmatig naar het abattoir pens halen ( lebmaag, netmaag, boekmaag en pens ), dat was niet zo duur. Een koelkast hadden we niet en het werd in koud water in een emmer of teiltje min of meer vers gehouden. Vooral ’s zomers gaf dat problemen wat de stank betreft. En vieze, grote bromvliegen! De pens glibberde zo af en toe door je vingers, zo ver was het heen. Maar honden zijn er gek op en zijn deels aaseters. Droogvoer bestond toen nog lang niet. Dat is iets van de laatste decennia.
In ons huis kon een blind paard nog geen schade doen, want de inrichting was armetierig en povertjes. Voor de hond was in de werkkamer een hok getimmerd met stro erin. Vanuit de werkkamer kon ze op het balkon komen.

Mijn vader.
Mijn vader was ook gek met de grey. Maar dat heeft niet lang mogen duren. Na een nachtdienst was hij nog fluitend met Snellie op stap geweest alvorens te gaan slapen en ’s middags was mijn vader dood! Plotseling. Voor een ventje dat vlak voor zijn puberteit staat, is dat moeilijk te verteren. De pup was toen ruim acht maanden. Mijn steun en toeverlaat was er niet meer. Het gevolg was, dat mijn moeder hard en veel moest gaan werken om haar vier jongens ( en de hond ) in leven te houden. De sociale voorzieningen waren in die tijd van dien aard, dat je net niet kapot ging van de honger, maar in feite had je te weinig om van te leven. Ook ik moest als jochie al snel aan de slag, soms samen met mijn drie jongere broertjes. Ik heb dan ook van alles gedaan om een paar centen in te brengen.
De hond gaf overlast als er niemand thuis was. Ze hing over het balkon te schreeuwen en vernielde veel. De gordijntjes in de werkkamer werden iedere dag door de hond steeds een stukje korter gemaakt, totdat zij er niet meer bij kon. Het hok was flink aangevreten. Ook herinner ik me een moment dat Snellie in de slaapkamer had kunnen komen, terwijl er niemand thuis was. De beddenkussens waren gevuld met dons en veren en je begrijpt het al: een kippenslachterij was er niets bij. En hoe lang je ook met die hond aan het werk was geweest voordat je naar school ging, maakte niet uit. Ze had een tomeloze en onuitputtelijke energie en voor haar betekende dat zeker geen extra slaapmiddel.

Weg met die hond!
Ik herinner me nog goed, dat het besluit was genomen door de familie, dat Snellie weg moest. Dat was voor mij een drama en ik heb er alles aan gedaan, om dat te voorkomen. Ik heb toen rare fratsen uitgehaald en dreigde zelfs weg te lopen, met de hond. Het eind van het liedje was, dat Snellie bleef en heel oud is geworden. Gelukkig werd ze later wat rustiger.
Het was een fijne hond om mee te werken. Ze was letterlijk en figuurlijk niet stuk te krijgen. En achteraf bezien heb ik dingen gedaan, die ik nu niet in mijn hoofd zou halen. Ja, het verstand komt met de jaren zullen we maar zeggen. In 1955 werd ze clubkampioen en dat betekende toen nog wel wat, zeker in Utrecht, het middelpunt van de greyhounds. En ooit won ze een barrage van een dure import: Magic Bariton, een mooie zwarte reu.
Waar ik was, was Snellie en waar Snellie was, was ik. Anders gezegd: we waren heel vaak samen te zien. Ik nam haar overal mee naar toe, vaak naast de fiets. En na vele uren arbeid stond ze je nog vragend aan te kijken van: “gaan we weer, baas?”

Storen.
Tijdens de races gedroeg ze zich niet altijd netjes. Ze is wel eens gediskwalificeerd voor storen. In die tijd was dat meer regel dan uitzondering. Vaak werd er voor stoorders een kap gebruikt op de korf. Die kap dekte het rechteroog voor een gedeelte af, zodat de hond niet naar rechts kon kijken. Denk aan paarden met oogkleppen voor. En dat hielp wel eens, maar lang niet altijd. Snellie is een goede hindernishond geweest. Tijdens de 350 meter moesten de honden drie of vier keer over een hindernis heen van ongeveer 60 cm hoog. Het haas werd onder de hindernis doorgedraaid. De hindernissen waren van gespannen jute gemaakt. Die hindernisrennen waren spectaculair en ik kan me niet herinneren dat er ongelukken zijn gebeurd.

De Midlandbaan.
De Stichtse Windhonden Ren Vereniging is januari 1947 opgericht en had een zelfaangelegde baan in de Johannapolder, nu De Uithof geheten. De naam van de renbaan was Midland. De polder bestond uit vette kleigrond en het waterpeil in de polder was slecht geregeld. Dat betekende over het algemeen natte voeten in voor- en najaar, maar voor het loopvlak was dat prima. ’s Zomers bij warm en droog weer had de baan meer weg van een betonpiste dan van een windhondenrenbaan. Er werd dan wel wat geklungeld met slangen en waterpompen, maar dat was nooit voldoende. Soms ontstonden er scheuren in de kleigrond, waar je een hand in kwijt kon.
In die tijd waren alle banen 350 meter grasbanen. Deze baan was van binnenkant tot binnenkant 61 meter breed: veel te smal zal men nu zeggen! Heden ten dage is dat niet meer denkbaar, zeker niet als het een grasbaan betreft. Wel hadden we flink opgehoogde bochten. De binnenkant was afgezet met witgeschilderde paaltjes zo dik als bezemstelen, afgehangen met drie rondgangen touw. De buitenkant werd gevormd door een ligusterheg.
Het starthok - er was er maar een - was gemetseld van kalk-zandsteen. Er zat geen klep voor, maar deurtjes die naar rechts toe open gingen. De deurtjes waren onderling met elkaar verbonden, zodat alle honden tegelijk uit de hokken konden komen. In de deurtjes zat dik vensterglas, dat geregeld schoon moest worden gemaakt om het zicht voor de honden niet te ontnemen. Voorts stonden er zes handicaphokken naast het hoofdstarthok, tegen de heg. Ieder handicaphok stond steeds een meter voor het hoofdstarthok. Ook die hokken stonden in verbinding met het hoofdstarthok, zodanig, dat alle hokken tegelijk opengetrokken konden worden. Honden die het minst snel waren, kregen het handicaphok, dat het verst van het hoofdstarthok vandaan zat. Met andere woorden, de minst snelle hond kreeg zes meter voorsprong op de honden uit het hoofdstarthok, enz. Dat gaf soms mooie races te zien. Nu vangen we de verschillen op door graded races te organiseren. Honden van gelijke sterkte gaan met elkaar de strijd aan.

Slippers.
De honden werden door slippers met bolhoed en uniform voor het publiek langs naar de starthokken gebracht. Het publiek zat op de door de leden zelfgebouwde tribune. De honden werden met draadkorf en rendek tegelijk in het starthok geplaatst. Het haassysteem was een sleephaas. Dat betekent acht klossen in totaal in de bochten, waar de draad van het haassysteem langs werd getrokken met behulp van een omgebouwde fiets. De velg van het fietswiel was verhoogd om de draad van 400 meter of meer goed kwijt te kunnen ( zie foto ). Het verzet van tandwiel en kettingblad was 12 – 48 voor de kenners. Na iedere rit moest het haas weer worden rondgebracht. Dat moest secuur gebeuren, want het touw mocht niet onder de klos komen. Gebeurde dat wel, dan liep het haas op de klos vast en dat betekende een overloop. Soms kwam het touw tussen de ketting en het tandwiel terecht tijdens het rondbrengen van het vel. Dat gaf veel oponthoud en gedonder. Als je op een dag tegen de honderd ritten had, betekende dat even zovele keren het haas rondbrengen. We huurden daar padvinders voor in, die onder leiding van een akela zorgden, dat de haas steeds goed werd rondgebracht. Iedere padvinder nam een stukje van de baan voor zijn rekening en gaf het haas dan weer over aan de volgende padvinder.

Klassen.
De honden liepen met vijf of zes tegelijk. In die tijd had je A-, B- en C-klassers. De rencarriëre van de hond startte in de B-klasse en door promotie of degradatie werd de hond A- of C-klasser. De renafstand was altijd 350 meter. Van stayers of sprinters hadden ze nog nooit gehoord in die tijd. De wedstrijd werd in een dag afgewikkeld door een afvalsysteem. Al naar gelang het aantal inschrijvingen per ras/klas had je de series, soms een herkans, bij veel inschrijvingen een kwart-finale, daarna de halve finale en tot slot de finale. Door het wedstrijdsecretariaat van de organiserende renvereniging werden de honden op sterkte geselecteerd ingedeeld. De snelsten stonden onder rood, de minder sterken onder blauw, enz. Als je hond onder zwart-wit van start ging, had je de minst snelle hond. Voor de start werd er geloot uit welk hok je mocht starten. De tijd van de races werd met de handstopwatch geklokt door tijdwaarnemers. Op het oog werd de binnenkomst door een jury van aankomst bepaald. Vaak stonden er in de bocht de zogenaamde bochtcommissarissen om te kijken of er geen onreglementaire dingen gebeurden. Was er wat aan de hand, dan werd dat aan de jury kenbaar gemaakt. Een speaker versloeg de wedstrijd en gaf de officiële uitslagen door. Fotofinish of elektronische tijdwaarneming werden toen nog niet gebruikt. Alles gebeurde handmatig: haastechniek, tijdwaarneming en jurering. De finalehonden werden gehuldigd.

Onderhoud renbaan.
Het onderhoud van de renbaan en de directe omgeving werd door eigen leden gedaan. Na de winterstop moest er soms eerst handmatig met de zeis worden gemaaid. Enkele dagen later werd de baan gemaaid met een huis- tuin- en keukenmaaimachine, waar men nu het gazonnetje van de tuin mee maait. Probeer maar eens een windhondenrenbaan met een handmaaimachine te maaien. Vaak stond het gras te hoog, zodat er geen doorkomen aan was. Als het meezat, was dat maaien een uur of drie tot vier werk. Een achter de maaimachine, twee ervoor aan een touw. Op de maaimachine waren zware B-2 blokken gelegd om dat ding aan de grond te houden en om slippen te voorkomen. Vaak werd dan ook nog het gras weg geharkt. Later kwam er voor de handmaaier een handmotormaaier op mengsmering in de plaats. En als het loopvlak dan goed gemaaid was, werden de mollenritten dichtgemaakt. De zaterdag voor een wedstrijd kropen we met zes man naast elkaar over het loopvlak met naast ons een kruiwagen zwarte grond om eventuele mollenritten dicht te maken. De hele baan rond! Als we daar mee klaar waren, werd de baan met een zware betonnen rol met mankracht gerold. Ook in de pauzes tijdens een wedstrijddag werd er gerold.

Mollen.
Mollen zorgden voor veel ongemak. Vooral in het natte seizoen zaten er veel mollen in het loopvlak, omdat het hoger lag dan de rest van de polder. De mollen werden weggevangen met klemmen. Ook ik heb in die tijd heel wat mollen “gemold”. ’s Morgens voor schooltijd zette ik de klemmen, na schooltijd liep ik de klemmen na. Je ging net zo lang door, dat je dacht dat er geen mol meer over was. Natuurlijk kwamen er altijd nieuwe mollen voor terug. Dat was/is een eeuwigdurende strijd. Op later aangelegde banen – Amsterdam – werd een gazen netwerk onder de grasmat verwerkt, zodat de mollen zich niet konden ingraven. Na verloop van jaren werkt ook dat niet meer, omdat het gazen netwerk is beschadigd of vergaan.
Op het middenterrein, dat lager lag dan de renbaan, stonden biezen, die enkele keren per jaar moesten worden gemaaid met de zeis. Dat deed Jo van der Bij vaak en ik heb het weer van hem “geleerd”. En dat allemaal met eigen mensen. Dat was in de “oertijd”, zo lijkt het wel. Daar moet je nu eens om komen. Als al dat werk nu op dezelfde manier moest worden gedaan, bestond er geen rensport meer, daar ben ik zeker van. Wij hadden geen kantine. Wel stond er een soort keetwagen langs de baan. Van daar uit werden koffie, soep en broodjes verkocht. Vlak bij de baan was het sportcafe van Thijs Singel. Daar is menig biertje gedronken, zeker door de Brabanders. Ook ik heb daar mijn eerste pilsjes geproefd.

Lighokken.
Onze baan beschikte al over zelfgebouwde, kalk-zandstenen lighokken met een houten bodem. Voor de wedstrijden werden de lighokken gedesinfecteerd en kwam er vers stro in de hokken. Na iedere wedstrijddag werd dat stro uit de hokken gehaald en verbrand in verband met ongedierte.
Tijdens grote, internationale races was er een dierenarts op de renbaan aanwezig. De honden werden gekeurd, vooral op ziektes, loopsheid en ongedierte.

Haassysteem.
Het haassysteem - sleephaas - is altijd kwetsbaar geweest, vooral in de tijd dat er nog geen nylontouw was. Wij moesten draaien met gewoon henneptouw! Bij nat weer was dat erg kwetsbaar, dus breekbaar. En iedere breuk betekende een overloop ( dus concurrentie- vervalsing ). Op de kwetsbaarheid van het touw hadden we wat gevonden: paraffine. Het touw werd goed in de paraffine gehouden. Tijdens het draaien trok ik de draad door dat blok paraffine. Als er een knoop in het touw zat door draadbreuk, gaf dat risico’s. Door de wrijving van het touw werd het warm en kwam de paraffine op en in het touw. Paraffine is vettig en stoot water af. Om op zeker te gaan, werd er vaak van touw gewisseld. In die tijd bestond “het haas” uit echte, geprepareerde konijnenvellen. Rondom kerst werd in menig huisgezin Flappie geofferd. Zijn jas/velletje deed in geprepareerde toestand dienst als prooi. De vellen werden opgekocht en door onze eigen leden geconserveerd. Het geprepareerde konijnen- of hazenvel was licht en goed geschikt voor het handmatig draaien. Bij erg nat weer werd er met een plastic kunsthaas gedraaid. Een uitkomst was de vinding van nylontouw. Maar in het begin was dat moeilijk draaien door de rek die in nylontouw zit. Dat was flink oefenen voordat je dat onder de knie had! Aan het eind van de rit werd het haas omhoog gehaald, zodat de honden de prooi niet konden pakken. Ook voorkwam dat, dat de honden op elkaar doken.
Later werd er elektrisch gedraaid via een accu/motor, maar nog steeds met het sleephaas. Ook op het rondbrengen had men wat gevonden: de bromfiets. Handige jongens gingen met het touw om de rechtervoet en zittend op de bromfiets de baan rond. Met een behoorlijke snelheid en handigheid werd het vel om de klossen gelegd. Als het loopvlak te nat was, lukte dat niet. Later werd dat ook wel gedaan met een skelter op diverse banen.

Inside Sumner Hare.
Na het draaien met touw en later met nylon, kwamen er mechanische haassystemen. Een rail met kar. Aan de kar een arm en daaraan de prooi, het vel. In Amsterdam had je het Inside Sumner Hare System. De elektromotor werd vanuit het draaiershuis bediend. Een ander systeem is, zoals dat in Rotterdam, Geldrop en Beerta, waar een benzinemotor lopend over de rail radiografisch wordt bediend. Al deze ontwikkelingen hebben we in Utrecht niet mogen beleven, want wij moesten de renbaan opgeven voor stadsuitbreiding: De Uithof, het universitaire gebied in Utrecht. Ondanks het feit dat ons een nieuwe renbaan is beloofd, hebben we die nooit gekregen. En een renvereniging zonder renbaan is als een schaakvereniging zonder schaakborden. En je kunt je leden niet eeuwig met nieuwe plannen blijven lastig vallen.

De renbaanloze tijd.
In de baanloze tijd hebben we heerlijke trainingen georganiseerd in het prachtige natuurgebied De Soester Duinen. Daar bewaar ik goede herinneringen aan. De een zorgde voor de starthokken, de ander voor het wiel ( ik ) en weer een ander zorgde voor de paaltjes en klossen. Wat een heerlijke en gezellige tijd met de thermosflessen koffie, de zon en de prachtige natuur. En we hadden soms veel bekijks. Maar ook dat werd ons verboden. Het werd te druk en er waren mensen, die hadden geklaagd: dus over en sluiten!
De oorspronkelijke starthokken van de Stichtse in Utrecht waren van kalk-zandsteen, zoals ik eerder heb geschreven. Later is daar een metalen, zelfgebouwd en gelast starthok naar Engels model voor in de plaats gekomen. Een starthok dat meer ruimte tussen de startende honden liet met een naar boven toe openslaande klep, zoals we die heden ten dage nog kennen. Na het ter ziele gaan van de vereniging is dat starthok in Son terecht gekomen. Alwaar het nu nog dienst doet, als ik me niet vergis.

Clubblad.
In die tijd hadden we ook een clubblad. Maar de vermenigvuldigtechnieken waren nog niet zo ver als nu. Alle tekst moest op tikstencil worden ingetikt en eenmaal gemaakte fouten lieten zich moeilijk herstellen. Het plaatsen van foto’s was in die tijd niet mogelijk, althans voor een vereniging niet. Daarna werden de stencils handmatig afgedraaid, gezameld en geniet. Dat gebeurde allemaal bij mij op school in de klas, waar ik werkte. En tot slot werden de bladen voor verzending gereed gemaakt. De voorkant van het clubblad werd ook geheel handmatig gemaakt. Ik had enkele linosneden gemaakt en drukte een voor een met de handpers de voorkantjes. En voor iedere nieuwe afdruk moest eerst de linosnede met inkt worden ingerold. De voorkantjes werden vervolgens te drogen gelegd voorin de klas en de volgende dag werden die gezameld, voordat de kinderen binnen kwamen. Ook de programma’s werden op dezelfde manier tot stand gebracht. Puur handwerk!
Als we nu een programma voor een race moeten maken, is dat 10 minuten werk achter je computer, althans als de gegevens van de honden zijn bijgewerkt en als je de juiste software gebruikt. En dan heb je afstamming, formline, enz. in je programma staan. Vroeger stond alleen de hond met eigenaar vermeld, verder niets!

Inschrijven: schriftelijk!
Het inschrijven voor een wedstrijd ging schriftelijk. Nog maar heel weinig mensen beschikten over telefoon. Ik kreeg pas telefoon toen ik secretaris van de vereniging werd en dat was eind jaren zestig. Het wedstrijdsecretariaat stuurde een bevestiging dat je hond stond ingeschreven.
De inschrijfgelden waren laag en de prijzen waren in verhouding tot nu hoog. In die tijd mochten de meeste verenigingen een keer per jaar een grote race met veel extra en hoge prijzen organiseren. Zo herinner ik me de Grote Prijs van het Noorden. De eerste prijs was toen al f 115,-- en de andere finalisten hadden ook een flinke prijs. Naast de hoofdfinale was er een troostfinale. En dat allemaal in de “oertijd”. Met Snellie heb ik deelgenomen aan die wedstrijd op zondag 29 juli 1956. De race werd georganiseerd op het sportpark te Nieuwolda. Eigen vervoer had je niet en dat betekende meerijden met iemand van je club. Dan reed je eerst stad en land af – op de fiets - om te vragen met wie je mee kon rijden. Als dat was geregeld, schreef je in. En dat was niet op dezelfde dag heen en terug. Nee, zaterdag er naar toe, bij iemand in het noorden logeren en eten en dan de wedstrijd op zondag. Ik herinner me nog dat ik op een mooi zolderkamertje sliep, met de hond bij me. Om me te wassen had ik de beschikking over een lampetkan met water. En van het eten herinner ik me, dat we eerst warm eten aten en daarna vette soep toe. Dat was ik niet gewend, maar ik heb me niet laten kennen. En ik meen me de naam van de familie ook nog te herinneren, de familie van Dijk. Maar er zijn veel honden die Fikkie heten, dus dat zegt niet zo veel. Hoe ver ik met de hond ben gekomen, weet ik niet meer, maar zeker geen eerste plaats.

Utrecht was in trek.
Omgekeerd kwamen er altijd veel deelnemers uit het noorden naar Utrecht toe voor de grote races. Vooral de Grand International op tweede Pinksterdag werd goed bezocht door deelnemers uit binnen- en buitenland. Maar ook de Revanches van de Europese kampioenschappen waren goed bezet, evenals de klassieke Domrace. De Friezen kwamen meestal met een veewagen met vers stro, volgeladen met honden en eigenaren. Dat was feest! Zo herinner ik me de Friese hond Geert die zo groot was, dat hij niet in het starthok paste. Hij werd door een official naast het hok uit de hand gestart. Geert was een greyhound die door de week onder de kar liep en zijn baas hielp om het dagelijks brood te verdienen. ’s Zondags mocht deze hond aan de races deelnemen. Overigens zijn er in het noorden van het land altijd veel greyhounds geweest. Lang niet alle liefhebbers kwamen naar het westen van het land, gewoon omdat niet iedereen over vervoer beschikte en vaak ook niet het geld er voor had om zo ver te reizen. Ook met de trein werd in de beginjaren gereisd om naar de races te gaan. Er waren zelfs greyhounds, die uit zichzelf naar het station liepen en de trein instapten, aldus diverse verhalen.
Als wij races in Utrecht hadden, reed ik met de hond naast de fiets naar de Midlandbaan, een rit van ruim 30 minuten, als je flink doortrapte. Daarna moest de hond nog aan de wedstrijd beginnen, soms drie of vier ritten op dezelfde dag. De rillingen lopen me nu over de rug als ik daar aan terug denk. Er waren ook deelnemers, die met de bromfiets en een kist achterop met de hond erin, naar de baan kwamen. Zelf ben ik verschillende keren door mijn zwager met de bromfiets gebracht: zwager aan het stuur, ik achterop met de hond in een deken op mijn schoot! En dan waren die lighokken een uitkomst! Je kon je hond op een verantwoorde manier opbergen in het hok.

Touringcar.
Traditioneel was er op Tweede Paasdag de Grote Prijs van Twente in Rijssen. In Utrecht werd een bus georganiseerd voor mens en hond en zo togen we naar Rijssen. Menigeen had zijn hond op schoot, vooral als er veel mensen meegingen. Weer een ander had een heupflesje bij zich met de bekende geestverruimende vloeistoffen erin ( of is het geestvernauwend? ). En gezellig werd het gemaakt met een trekharmonica. Onderweg werd er in Apeldoorn gestopt om met zijn allen koffie te drinken. En vergis je niet in die reis. In die dagen was dat een hele onderneming. De wegen waren veelal smalle, provinciale wegen en er stond onderweg heel wat blik langs de kant! De terugweg was vaak deels rumoeriger, deels rustiger in de bus. De meeste drinkers gingen onder zeil, het andere deel had nog energie genoeg voor wat sterke verhalen, het zingen van een lied, of het vertellen van een mop. Ja, die goeie, ouwe tijd! Maar gezellig was het zeker.

Importeren.
In de beginjaren van de rensport waren er ook al geïmporteerde greyhounds, vooral reuen. Namen die ik me kan herinneren en op menige oude stamboom zullen voorkomen, zijn: Mervin Hesty, Witching Eyes, Davy Cricket, Clebelands Onward ( de vader van mijn eerste greyhound ) Sodiak, Clebelands Climber, Sheila Ann, Spy Work, Quick Dawn, Cheerful Bishop, Extra Gun, Cool Magourna Again, Civil Bob, Mighty Chancer, Magic Bariton en Exceptional Mink. Natuurlijk zijn er veel meer importen geweest, maar deze honden hebben indruk op me gemaakt en zijn me bijgebleven.
Zo herinner ik me Davy Cricket, geïmporteerd door Klaas Teeuwen. Deze reu moest na aankomst direct een teef dekken, maar de reu kwam veel later in Nederland aan dan was gepland. De teef was al twintig dagen loops en direct moest de nieuwe reu er tegenaan. Maar de teef en de reu hadden weinig trek in een stuntje. Klaas en ik zijn er de hele middag mee bezig geweest en na verloop van een paar uur werd er tenslotte toch gedekt. En negen weken daarna pups! Maar Davy Cricket vererfde nogal scherpe honden, dus stoorders. Zelfs in de kennel konden de jonge honden van Davy Cricket elkaar flink toetakelen.

Een vereniging met pit!
De Stichtse Windhonden Ren Vereniging was een vereniging met pit.
Tijdens bestuursvergaderingen konden we flink tegen elkaar te keer gaan, maar tijdens de wedstrijden werd er hard gewerkt en nooit op elkaar afgegeven. Voordat de wedstrijd begon, gaven we elkaar een hand! Raar? Sentimenteel? Onzin, het werkte en dat was de hoofdzaak. En wat was iedereen altijd serieus bezig met zijn/haar taken.
Utrecht stond bekend om zijn goede organisatie en sportieve sfeer en daar werkten we met zijn allen hard aan. Enkele kopstukken uit de geschiedenis van de Stichtse zijn: Wout van Oostrom, Leen van der Ven, Dick Bijleveld, Klaas en An Teeuwen, Joop Teeuwen, Joop Poel, Rijk Mommersteeg, Wim Galjaard, Chris Kropman, Dick de Groot, Jo van der Bij en mezelf reken ik er ook bij. Uit ons midden kwamen even zovele officials voort, die door onze zusterverenigingen graag en veel werden gevraagd om allerhande functies te vervullen.

Europese kampioenen.
De Stichtse heeft menige kampioen voortgebracht. De Europese kampioenen volgen hierna, maar dat neemt niet weg, dat de vereniging daarnaast vele nationale kampioenen en winnaars van grote klassiekers in haar midden had.
Europese kampioenen:
Christa (Sodiak-Clebelands Climber) in Luzern,
Pandora (Sodiak-Clebelands Climber) in Mannheim,
Figaro (Mervin Hasty-Itam) in Stuttgart,
Zarfath (Magic Baritone-Christa) in Basel,
Blue Boy (Extra Gun-Quickly of the Grey Home) in Linz,
Paradiso (Figaro-Rock and Roll) in Amsterdam.

Runnings Home Impallah.
De grootste hond aller tijden, Runnings Home Impallah (Extra Gun-Quickly of the Grey Home) van Ans en Klaas Teeuwen, werd drie maal achtereen Europees kampioen, te weten in Linz in 1962, Basel in 1963 en Amsterdam in 1964. Impallah bracht verder de volgende grote races op haar naam:
1962: de internationale Derby in Den Haag; het Nederlands kampioenschap 350 meter in Utrecht; het Nederlands kampioenschap 475 meter in Den Haag.
1963: een grote race op een zandbaan in Barcelona, Spanje; het Nederlands kampioenschap 475 meter in Amsterdam.
1964: het Nederlands kampioenschap 475 meter in Amsterdam.
Impallah nam deel aan 38 overwegend grote wedstrijden ( dus serie, herkans, kwart finale, halve finale en finale ) en bracht er 35 op haar naam! De snelste tijden van haar: 350 meter in 21,60 sec. en de 475 meter in 28,56 sec.
Zelf bracht Impallah geen goede pups voort, dus voor de fok heeft ze niets betekend.

Andere grote namen.
Tenslotte volgen enkele namen van greyhounds van de Stichtse W. R. V., die of nationaal kampioen zijn geworden of verschillende grote races op hun naam wisten te brengen. Ze staan niet in chronologische volgorde: Banka, Onward, Lucky, Itam, Rembler, Sultan, Iwan, Barbara, Chiquita, Sirona, Mirjam, Lady, Quickly, Rock and Roll, Browney, Lightning, Fury, Dahra, Katinka, Larina, Terry, Magic, Rasty, Chester, en tot slot Anja, de nestzuster van Impallah. Natuurlijk heb ik ze niet allemaal genoemd en daarvoor bij voorbaat excuses aan eigenaren, die zich vergeten voelen.
Onze vereniging heeft altijd een goede band gehad met de Faculteit der Veeartsenijkunde in Utrecht. Vele specifieke renhondproblemen zijn door artsen van deze faculteit opgelost.
Dr. Kraan en Prof. Dr. Rijnberk hebben daarbij een belangrijke rol gespeeld en later kwam drs. Johan Hoedemaker in beeld.

Sandra en Harry.
De laatste greyhound, die in Utrecht kampioen werd in 1966 was Sandra van Harry van der Steen. Sandra was een mooie, blauw-grijs gestroomde teef. En Harry en Sandra waren onafscheidelijk. En wat was Harry ( een Brabander ) een liefhebber. Tot op hoge leeftijd heb ik hem op de wedstrijdbaan in Geldrop gezien.
Demonstratierennen.
In die tijd was het gebruikelijk dat de renverenigingen enkele demonstratierennen per jaar organiseerden, bijvoorbeeld op Koninginnedag of andere plaatselijke feestdagen. Dat bracht geld in het laatje en naamsbekendheid voor de rensport. Het was niet altijd even voordelig voor de honden, met name de greyhounds raakten nog wel eens geblesseerd. De demonstratierennen vonden vaak plaats op voetbalvelden met doelpalen er nog op. De palen werden afgeschermd met strobalen om ongelukken te voorkomen. De velden waren vlak, te hard en vaak te droog om er met goed fatsoen een greyhound aan te wagen. Vooral in latere jaren werd het steeds moeilijker voldoende greyhounds bij elkaar te krijgen voor een dergelijke race. En terecht. De honden werden steeds sneller en kwetsbaarder.
Zo herinner ik me een dag, dat de Stichtse drie demonstratierennen op een dag had te verzorgen, waarvan een in stadion Galgenwaard. Tijdens de ronde van Midden Nederland
( aankomst van de wielrenners ) mochten wij races laten zien op het middenveld, het voetbalveld van DOS indertijd. Meer dan 10.000 man publiek zat en stond op de tribunes. Indertijd was Galgenwaard voetbalstadion en wielerbaan tegelijk ( de bekende betonnen piste rond het voetbalveld ). Daar behaalde ik mijn eerste overwinning met Snellie, zonder dat ik dat direct in de gaten had. Het was een puntenrace. En trots dat ik was. Een huldiging met applaus voor 10.000 man publiek!
Voor zo’n demonstratieren ving de vereniging f 1000,- tot f 1.500,- . Kleine prijzen en onkostenvergoedingen voor de deelnemers gingen daar van af. Er waren honden die aan de drie eerder genoemde demonstratierennen op dezelfde dag hebben meegedaan! Dat betekende zes soms wel zeven ritten op een dag op een veld dat niet geschikt was voor windhondenrennen! Maar wijsheid komt met de jaren. Ik geloof dat heden ten dage geen demonstratiewedstrijden meer worden georganiseerd buiten de vaste renbanen.

Wilhelminapark.
Op een andere demonstratieren in het Wilhelminapark in Utrecht zag het ook zwart van de mensen. Snellie deed mee en mijn opa en oma zouden komen kijken. Waar mijn grootouders stonden, wist ik niet. Na het lopen van de race dook Snellie zo het publiek in. Op de een of andere manier had zij “lucht” gekregen van mijn grootouders. En de hond was gek op ze: bij een bezoek aan mijn grootouders lag er altijd een koekje klaar voor de hond.

Mijn vrouw.
Ik praat nu wel of ik deze sport alleen heb beleefd, maar niets is minder waar. In augustus 1959 leerde ik mijn vrouw Margje kennen. De eerste keer dat ze meeging naar de rennen was op een Europees kampioenschap in Amsterdam, Buitenveldert, later de Gerrit Schouten renbaan genoemd. Ik had daar een functie: draaier. Amsterdam was de eerste grote baan naar Engels model. Toen werd er nog met de hand gedraaid. Ik moest in mijn eentje zo rond de honderd ritten draaien op zaterdag en net zo veel op zondag. Ik draaide met een eigen gemaakt wedstrijdwiel, waar ik nu nog over beschik. Op andere banen stonden ze altijd met twee of meer mensen te draaien en als ik Rijssen voor me zie, zie ik twee grote, gespierde kerels, die samen het haas ronddraaiden: dubbele bediening door de gebroeders Grob. De schoolmeester deed het met eigen apparatuur in z’n uppie.Bluffen? Nee, dat zijn de feiten, daar kan ik niks aan doen.
Dat weekeind van het Europees kampioenschap was het slecht weer, het regende vooral. Voor Margje was dat geen leuke kennismaking met de rensport: twee dagen in kil en regenachtig weer, zonder de mensen en de honden te kennen. Mij kende ze amper. Toch raakte ook zij geboeid door de sport en de honden en vanaf dat moment maakt zij samen met mij vrijwel dezelfde dingen mee in de sport.

Kom maar, jochie!
Als 14-jarig jochie werd ik al door de Stichtse ingelijfd. Ze zagen wel wat in dat serieuze jochie. Al gauw werd mij het draaien bijgebracht en het duurde niet lang, of ik draaide op trainingen en wedstrijden. Maar ook buiten Utrecht was ik veel gevraagd. Zo ben ik dertien jaar achtereen topdraaier in Nederland geweest. Een keer per jaar had Arnhem indertijd een wedstrijd en ook daar draaide ik. Zo kan ik me het Goffert Stadion herinneren en het veld van ijsclub Thialf waar Arnhem zijn races hield. Arnhem beschikte toen niet over een vast wedstrijdterrein. Maar ook in Rotterdam en Amsterdam was ik vaste draaier.
Er waren nieuwe ontwikkelingen wat betreft het haassysteem op komst. Amsterdam kreeg het al eerder genoemde Inside Sumner Hare en Rotterdam had een haassysteem waar twee meter boven de grond een kabel via palen rondtolde. Aan de kabel zat de prooi. Toen Rotterdam naar de nieuwe locatie verhuisde, kreeg het een al eerder beschreven haassysteem, zoals in Geldrop.
Naast het draaien op trainingen en wedstrijden werd ik al gauw het hulpje van de penningmeester. Het gironummer van de Stichtse ken ik nog uit mijn hoofd en ook welk bedrag we jaarlijks aan contributie kwijt waren: f 26,-- harde pietermannen, of twee kwartjes per week. Veel leden betaalden liever twee kwartjes per week. En daarvoor fietste ik wekelijks de vellen van mijn broek om bij de leden ( en donateurs ) het nodige geld binnen te halen voor de vereniging. Dat werd diezelfde dag nog verrekend met de penningmeester.

Contributie.
Overigens vind ik het bedrag dat nu aan contributie wordt betaald veel te laag in verhouding tot de contributie van 50 jaar terug. Daarbij komt dat je nu veel meer waar voor je geld krijgt: een prachtige en veilige renbaan, een goed haassysteem, elektronische tijdwaarneming, fotofinishapparatuur, prachtige starthokken, een loopvlak dat er steeds goed bijligt, een kantine waar je de inwendige mens kunt versterken, enz. En gewerkt wordt er bijna niet meer door de leden, zeker niet als je dat vergelijkt met het vele handwerk dat vroeger moest worden verzet. En wie niet werken wil of kan, moet dat op een andere manier compenseren: contributie. Dat mag wat mij betreft flink omhoog. Niet kunnen betalen? Er is altijd geld voor een pilsje of hartige hap uit de kantine, dus is er ook geld voor contributie. En wat het zwaarst is, moet het zwaarst wegen. Kom op met die contributieverhoging.

Diverse functies.
In het bestuur van de Stichtse W.R.V. heb ik alle functies vervuld. Daarnaast ben ik jurylid in binnen- en buitenland geweest op vele grote races. Met nog een tiental andere liefhebbers is “Het Groene Boekje” tot stand gekomen. In dat landelijke boekje konden de verenigingen hun nieuws kwijt, kwam de Commissie met nieuwsfeiten, had de Raad van Beheer een plekje voor officiële mededelingen, was er plek voor ingezonden stukken, stonden de races aangekondigd en vond je uitslagen en wedstrijdverslagen van de gelopen races. Natuurlijk kon je daarin ook je advertenties kwijt. We begonnen met een behoorlijk grote club mensen, maar na verloop van enkele jaren werd het groepje steeds kleiner en het eind van het liedje was, dat ik het in mijn uppie moest doen. Al zeg ik het zelf, het was een goed leesbaar nieuwsblad. Maar ook hier speelde onwil, kortzichtigheid en geld een negatieve rol. Het abonnementsgeld moest met f 5,-- per jaar omhoog en kwam dan op f 25,-- als ik me niet vergis. Het kwam vijf tot zes keer per jaar uit. In een tijd van vijf minuten werd dat voorstel van tafel geveegd, samen met het “Groene Boekje” en daarmee was het nieuwsblad geschiedenis geworden. Voor mij was dat indertijd de hufterigheid ten top. Daarna is er nooit meer iets voor in de plaats gekomen. En een zichzelf respecterende organisatie zorgt voor goede communicatiemiddelen, maar dat gold niet voor de Commissie voor de Windhonden Rensport en de daaronder vallende renverenigingen. Nu weet ik intussen wel dat men liever een kwartje aan een pilsje uitgeeft, dan een stuiver aan een informatief blad.

Publicaties.
Zelf ben ik altijd geabonneerd geweest op het Engelse Greyhound Magazine, wat later de Greyhound Star werd. En ik heb ze nog allemaal, netjes gearchiveerd. En zo af en toe schreef ik in Greyhound Magazine over de greyhoundrensport in Nederland en het vaste land van Europa. Maar Engels is mijn moedertaal niet, dus moeilijker om te schrijven, om je in uit te drukken.
Toch ben ik doorgegaan met publiceren over de rensport. Vanaf 1976 tot en met 1995 heb ik bijna maandelijks voor Onze Hond wedstrijdverslagen, artikelen en beschouwingen gemaakt, gelardeerd met door mijzelf geschoten foto’s. Na een conflict met de hoofdredacteur over wat ik wel en niet mocht schrijven, heb ik de samenwerking opgezegd. Ook hier ging het over Federatiestandpunten. De redacteur was benauwd voor de Raad van Beheer. Wat een dictatuur! En dat in de vorige eeuw. Vervolgens heb ik nog enkele jaren gepubliceerd in Hondenmagazine, maar dat ging ter ziele. En nog steeds krijgt u mijn geschrijf te lezen in The Grey Times.
Tijdens mijn actieve periode als leerkracht heb ik mijn leerlingen veel verteld over de honden en de rensport. Prachtige dia’s heb ik ze getoond en zelfs op ouderavonden zat er vaak een mooie dia tussen van de honden. Met twee tegelijk namen we leerlingen mee naar de races en brachten ze ’s avonds weer netjes thuis bij hun ouders. Van een leerling weet ik, dat hij altijd een greyhound of een whippet heeft. Dat is de oogst van intensieve voorlichting en vertellingen. Niet veel.

Jurycursus.
Daarnaast heb ik indertijd een jurycursus geschreven om aanstaande juryleden de theorie op een overzichtelijke en inzichtelijke manier voor te schotelen. Na het volgen van de cursus moest er een schriftelijk en praktisch examen worden afgelegd.
Verder beschik ik over een enorm fotoarchief, maar ook dia’s bezit ik met veel en verschillende onderwerpen, de rensport betreffende. Vakanties in Engeland stonden in het teken van de rennen. Het liefst maakte ik dia’s. Die kun je groot projecteren voor de liefhebbers. Zo heb ik de beschikking over dia’s van de renbanen Brighton, Wembley, Wimbledon, Hackney en Portsmouth uit 1978. Aan de hand van zorgvuldig geselecteerde beelden heb ik zo heel wat series samengesteld om dialezingen in binnen- en buitenland te kunnen houden voor renverenigingen en kynologenverenigingen. Enkel en alleen om de greyhound en de sport te promoten.

Slotbeschouwingen.
Mijn eerste hond Snellie is oud geworden, ondanks het gebrek aan preventieve entingen, wormmiddelen en uitgedokterd voer. Natuurlijk is ze wel eens ziek geweest, maar vaker had ze zich opengehaald aan het prikkeldraad. Daarna heb ik nooit meer een greyhound gehad, die zoveel lidtekens heeft opgelopen. Als lagere schoolleerling kreeg ik haar en als dienstplichtig militair raakte ik haar kwijt. Als ik thuis kwam uit dienst, kleedde ik me snel om en ging eerst op stap met de hond. Vaak was dat het park in de buurt. Daar liep ze los. Naarmate ze ouder werd, werd ze ook schrikachtiger. Op een gegeven moment schrok ze, nam de benen en was niet meer terug te roepen/fluiten. Dat betekende terug naar huis, een drukke zesbaans weg over. En dat werd haar fataal. Ze werd op de laatste baan aangereden door een Vauxhal personenauto en was op slag dood, zonder ook maar een schrammetje aan haar te kunnen ontdekken. Dat was een rot einde, maar ze is niet in de wieg gestorven. Intussen was ze dertien, bijna veertien jaar. We bewaren goede herinneringen aan haar.

Federatie Greyhound Racing Nederland.
Uit onvrede met het vele-ritten-systeem van de Commissie voor de Windhondenrensport heb ik indertijd heel bewust gekozen voor het greyhoundvriendelijke systeem van de Federatie Greyhound Racing Nederland. Dat is me lang niet door iedereen in dank afgenomen. We hebben zelfs dreigbrieven en aangetekende brieven van verenigingen ontvangen. Op sommige banen waren we helemaal niet meer welkom en op andere banen moesten we staangeld gaan betalen! Ons besluit stond vast. Met zo’n stelletje kortzichtige “liefhebbers” wilden wij niets meer te maken hebben. Marg en ik zijn daarna niet meer naar andere dan Federatiewedstrijden geweest.

Nederlandse Greyhound Club.
Vanaf de oprichting van de N.G.C. ( Utrecht, 1964 ) ben ik lid geweest van die club. Gerrit Schouten was toen de man, die veel goeds voor de greyhounds heeft gedaan, later Aad Polderman en tot slot Piet Vanstippen. Vooral onder leiding van de twee laatste voorzitters en de teams erom heen, zijn de problemen waar onze greyhounds mee te maken kregen, uitgedragen. Door heel het land werden ( dia- ) lezingen en voorlichtingsbijeenkomsten gehouden. Dat heeft na vele jaren van strijd niet veel geholpen. De Federatie werd opgericht. Daarna heeft de NGC de koers gevolgd van de Federatie. Dat betekende dat het showelement plaats maakte voor de functionaliteit van de greyhound. Dat werd niet door de Raad van Beheer begrepen en dan verklaar je zo’n vereniging gewoon dissident! En ook de NGC heeft daar veel moeilijkheden door gekend. Maar het is een goede keus geweest en dat is de kritiek waard. Ik heb dan ook diepe bewondering voor de mensen van de greyclub, dat ze altijd maar tegen de stroom in moesten roeien en dat nog steeds doen met veel inzet en overtuigingskracht!

De toekomst.
De toekomst van de greyhoundrensport zie ik niet zo positief in. Dat betreft niet alleen Nederland, maar het hele vaste land van Europa als het om de amateursport gaat. Maar ook in de professionele landen is deze sport op zijn retour. De honden zijn niet te betalen, iedereen die beroepshalve in de sport werkzaam is, wordt onderbetaald, maakt gigantisch veel uren en heeft bijna geen prive-leven. Maar een enkeling verdient goed. Vroeger was er op iedere boerderij in Ierland wel een fokteef te vinden. De boer fokte om er een paar centen bij te verdienen. Dat is bijna helemaal over. Er ontstaan dure fokbedrijven, die de honden duur moeten verkopen. Voor de amateur in Nederland is dat niet meer op te brengen.
Maar ook de liefhebberij in Nederland sterft uit met het heengaan van de oudere liefhebbers. Er komen geen jonge gasten voor in de plaats. In mijn terugblikken op 2001 en 2002 heb ik al gezegd dat er geen bestuurders en officials meer overblijven of bijkomen. En nu mag je wat mij betreft best optimistisch van aard zijn, maar dat zijn nu eenmaal de feiten. Daarnaast spelen valse sentimenten in deze maatschappij een negatieve rol op alle sporten, waarvoor dieren worden ingezet. En zolang er mensen zijn die een stille tocht organiseren voor een doodgeschopte hond, denk ik dat de maatschappij steeds verweekter wordt, steeds verder van de natuur komt af te staan. Dat betekent niet dat ik het doodschoppen van een hond of welk levend wezen dan ook goed keur, maar ik zal er geen stille tocht voor houden of erin meelopen. Nee, die vent moet eens goed te grazen worden genomen, zodanig dat hij nooit meer met zijn fikken aan een dier komt. En met die valse sentimenten krijg je steeds meer te maken. Daar moet je met je regelgeving en je gedrag wel degelijk rekening mee houden.

Calvijn en zijn invloed.
Ach, en onze rensport zal altijd wel blijven doorsudderen, want al houd je maar twee greyhounds over, dan kun je er nog een wedstrijd voor organiseren. Anders gezegd, er blijft weinig of niets meer over van onze sport. En over professionaliteit in ons land hoef je geen illusies te hebben. Die komt er nooit. De Britse wedkantoren van Ladbrokes moeten zelfs hun internationale websites afsluiten voor Nederlandse deelnemers. En zo zou het ook zijn gegaan met Gobarkingmad! Zo gaat dat in het calvinistische Nederland! Pessimistisch? Nee, dat zijn de naakte feiten.

Wie zijn er over?
En wie zijn er nog over uit de actieve periode van de Stichtse Windhonden Ren Vereniging?
Juist ja, Jo van der Bij en Cees van Arkel. Jo als fanatieke rendeelnemer, wereldreiziger en harde werker, ik als beschouwer en liefhebber van het hele circus.
Ik wandel gemiddeld twee uur met de honden. ’s Winters is dat soms wat korter, ’s zomers vaak veel langer. En ik voel me er goed bij. Mijn honden hebben voor een stuk ontspanning en gezondheid gezorgd.
Op naar de volgende vijftig jaar! Wat zeg ik? Laten we het in ieder geval proberen.

Een liefhebber in hart en nieren,


Cees van Arkel.

 

terug  top Laatste update